Academische Opening 2009-2010 | Toespraak door prof. dr. ir. Bart De Moor

 

 

Monseigneur,

Mijnheer de Minister van Staat,

Geachte genodigden in al uw hoedanigheden,

Dames en heren,

Beste docenten en beste studenten,

 

Waarom internationaliseren? Dat is de vraag waarmee ik werd uitgedaagd voor deze academische zitting. Het is een mooie vraag, zoals elke ‘waarom’- vraag trouwens.

 

En niet alleen de vraag is mooi, maar – naar ik hoop – ook het antwoord. Want internationalisering is van alle tijden.

 

Ik wil u achtereenvolgens meenemen naar Afrika, China en over de straat van Bering, naar de Amerika’ s. We zullen terugkeren met Dzengis Khan, praten over Vlaanderen in de tijdenwolk, over biotopen, technologie en technotopen, over Schumpeter en Lessius, het wereldwijde web, de geschiedenis van Leuven, en last but not least, over internationalisering in de drievoudige missie van de universiteiten en het hoger onderwijs in het algemeen.

 

Dat is een hele boterham, hoor ik u denken, maar het is meer dan een boterham. Internationalisering is een copieuze maaltijd.

 

So, relax, sit back and enjoy the speech.

 

We beginnen in Afrika, waar enkele miljoenen jaren geleden de eerste mens het licht zag. Soms probeer ik mij in te beelden hoe dat zou kunnen gegaan zijn. Wanneer precies was een mens, voor het eerst ‘een mens’ ? Wie zei toen voor het eerst: Ik ben een mens?

 

Dat weten we niet, en dat zullen we ook nooit weten. Wat we wel weten is dat die eerste mensen een gemeenschap vormden, een taal ontwikkelden als communicatiemiddel, en allerlei werktuigen begonnen te gebruiken als eerste begin van techniek en technologie. Wat we ook weten is hoe ze uitzwermden over de hele wereld, en eigenlijk weten we ook vrij precies waar en wanneer ze aankwamen op de verschillende plaatsen.

 

Dat weten we uit allerlei archeologische vindingen, waarvan de vindplaatsen ons leren waar die mensen precies geweest zijn en zich hebben gesettled. Maar uit de pure geografie is het moeilijk op te maken wanneer ze daar geweest zijn, laat staan in welke chronologie ze de verschillende vestigingsplaatsen hebben bewoond.

 

Maar sinds een tiental jaar of zo, hebben we ook belangrijke inzichten verworven in het tijdschema. De genetica is hier instrumenteel. Omdat wij DNA overerven van onze ouders, die het op hun beurt weer overerven van hun ouders, dragen wij in ons erfelijk materiaal de hele genetische geschiedenis mee van al onze voorouders, en van de voorouders van onze voorouders, die wellicht geen mensen waren maar dieren, en van de voorouders van die dieren, die geen dieren waren maar wormen, en bacteriën en virussen.

 

De kleine mutaties, die optreden in het DNA van elke nieuwe generatie, doen dat met een bepaalde waarschijnlijkheid. Deze mutatiesnelheid verschilt van organisme tot organisme, maar is nu vrij goed gekend. Zo weten we dat virussen een groot improvisatievermogen hebben om zeer vlug hun genetische structuur aan te passen, met de gekende gevolgen. Maar omdat we het systeem van mutatie stilaan beginnen te begrijpen, kunnen we ook voorspellen hoe snel en waar precies in het erfelijk materiaal van deze virussen, mutaties zullen plaatsvinden, waardoor we maanden op voorhand de geschikte vaccins kunnen ontwikkelen en bij de apotheker brengen.

 

Het DNA laat dus toe om de toekomst te voorspellen, maar misschien nog belangrijker, het is ook onze telescoop om terug te kijken naar de geschiedenis van de mens.

 

Uit het DNA van de gevonden beenderen van onze voorouders, kunnen we vrij exact uitrekenen hoe lang geleden ze leefden, en door DNA-stukjes te vergelijken van verschillende mensen, kunnen we uitrekenen wanneer die groepen van mensen uit elkaar gingen, en kunnen we ook uitrekenen wanneer ze in de tijd waar geweest zijn.

 

Zo weten we nu dat de mensen gestart zijn in Afrika, dat ze uitzwermden, eerst naar het Midden-Oosten, en vervolgens splitsten in drie grote stromen: één naar West-Europa, één richting Siberië en één naar India en verder.

 

We weten uit DNA-onderzoek dat de Siberische groep de Beringstraat overstak. Dat was toen nog een echte straat, en geen zee zoals vandaag de dag. We weten dat ze vervolgens naar het Zuiden zijn gegaan, dat ze zich veelvuldig gesplitst hebben, dat ze zich Comanches, Apaches en Sioux zijn gaan noemen, en dat ze in het Zuiden de grote culturen van Azteken en Maya ’ s hebben gesticht.

 

We weten ook veel over de tak die zich heeft afgesplitst naar West-Europa. Voor de meesten onder ons onze rechtstreekse voorouders. Uit het DNA-onderzoek van grote populaties van West-Europeanen, weten we dat we met zijn allen afstammen van 7 oermoeders, door professor Brian Sykes van Oxford ‘the seven Eves of Europe ’ genaamd. Deze moeders leefden op verschillende plaatsen in verschi llende tijdperken, enkele tienduizenden jaren geleden, maar we hebben allemaal in meer of mindere mate DNA in onze cellen van 1 of meerdere van die oermoeders.

 

Waarmee ik eigenlijk wil zeggen dat internationalisering van alle tijden is. De migratie van de mens, weg uit Afrika, is op die manier de eerste internationaliseringsgolf.

 

Wat waren hun drijfveren? Wie besliste op een bepaald moment: ‘we zijn hier weg, we trekken naar het Noorden’? Wie besliste en waarom? We weten het niet, en we kunnen het enkel raden.

 

Honger zal wel een drijfveer geweest zijn. Misschien ook levensruimte. Of de zoektocht naar geschikte partners om te zorgen voor een nageslacht.

 

Of, wie weet, misschien ook pure nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid, ja, dat zal het ook wel geweest zijn!

 

Onlangs schreef Umberto Eco, de man van ‘De naam van de roos’, twee nieuwe boeken: ‘De geschiedenis van de schoonheid’, en ook een geschiedenis van de lelijkheid. Vooral deze laatste kan ik u aanraden!

 

Zou het niet interessant zijn om in het jaar van Darwin de geschiedenis van de nieuwsgierigheid te schrijven, en te zoeken in een Darwiniaanse context wat nieuwsgierigheid is en waarom sommige levende wezens nieuwsgierig zijn.

 

Hebben we nieuwsgierigheid nodig om te overleven? Ik denk het wel. Hebben we nieuwsgierigheid nodig om er betere mensen van te worden? Ik denk het wel.

 

Nieuwsgierigheid ligt aan de basis van onze creativiteit, van onze roekeloosheid, van onze wetenschap en technologie, van onze inzichten in ruimte en tijd, maar ook van onze cultuur. Van alle levende wezens is de mens zonder twijfel het meest nieuwsgierig en voor wie een goed doctoraatsonderwerp zoekt: hier staat voor u een kandidaat-promotor.

 

 

Dames en heren,

 

We maken nu een sprong van miljoenen jaren. De gemeenschappen ontwikkelen zich tot autonome en indrukwekkende beschavingen: China, India, Mesopotamië, Egypte, Griekenland, Rome, het zijn allemaal namen die ons met enige weemoed doen terugdenken aan de geschiedenislessen en de prentjes van Historia.

 

Internationaliseringsgolven – weliswaar vooral militaire – volgen zich nu in steeds sneller tempo op. De veldtochten van Alexander De Grote, de expansiedrang van de Romeinen rond hun ‘Mare Nostra’ , de Vikingen met hun snekken, Vikingen die trouwens in Leuven in de pan werden gehakt, de stroop- en plundertochten van Dzjengis Khan.

 

Waarom internationaliseerden zij? Nieuwsgierigheid, ja, zeker, maar ook wel hebzucht, en de drang naar rijkdom. En ook natuurlijk omwille van de ijdelheid, ‘vanitas vanitatum ’ , van ‘hoe verwerf ik mij een plaat s in de geschiedenis ’ , en ja, ook wel roekeloosheid, en natuurlijk ook macht, de macht van het getal, de grootte van het imperium, de macht omwille van de macht zelf.

 

Het lijkt wel of deze internationaliseringsgolven vooral gedreven werden door de slechtere deugden van de mens, de hebzucht, de ijdelheid en de machtswellust.

 

 

Dames en heren,

 

Internationaliseren. Wie het woord meerdere malen na elkaar uitspreekt, lijk wel ‘Wetstratees ’ te spreken.

 

Maar, als je er over nadenkt, is het een woord met een missie, het drukt uit dat we iets moeten doen wat we nu nog missen. Of beter, het drukt uit dat we iets moeten doen wat we verloren hebben. Want de geschiedenis van de laatste honderdduizenden jaren leert ons dat we eigenlijk nooit iets anders hebben gedaan dan internationaliseren. Internationaliseren is des mensen.

 

En toch plaatsen we het op de politieke en culturele agenda als een specifiek aandachtspunt waaraan we moeten werken.

 

Eén van de minister-presidenten van Vlaanderen, waarvoor ik jarenlang heb gewerkt, zij wel eens dat ‘grenzen littekens zijn van het verleden ’ .

 

‘Grenzen zijn littekens van het verleden ’ , en daar weten we in Vlaanderen alles van. In Vlaanderen zijn het de littekens van de Romeinen. Toen zij door Germaanse stammen vanuit het noorden werde n aangevallen, trokken ze zich terug op een verdedigingslijn die liep van west naar oost, van Bavais in het noorden van Frankrijk, tot Keulen in het westen van Duitsland. Dat litteken noemen we vandaag de taalgrens.

 

De littekens ook van de woeste Vikingen uit het noorden. ‘Van de woede van de Vikingen, verlos ons Heer ’ , baden de mensen bij de Noordzee.

 

De littekens ook van de Fransen, de littekens van ‘schild en vriend ’ , of was het eerder ‘s gilden vriend ’ , ‘Bent u een vriend van de Gilden ’ , in het Middele euws Vlaams: ‘des gilden vriend ’ ? Deze interpretatie lijkt me meer plausibel dan het eerder nonsensicale ‘schild en vriend ’ . En het verklaart ook waarom bij een negatief antwoord, de goedendag werd bovengehaald. Maar ook de Gulden Sporen lieten litteken s na.

 

De littekens ook van Spaanse inquisiteurs, van keizer-kosters uit Oostenrijk, van vorsten Willem-die-niet-wijzer-wilde-wezen uit Nederland, van Duitsers die Vlaanderen tot tweemaal toe met een tot in de puntjes georganiseerd bezoek vereerden.

 

Alleen de Engelsen zijn hier nooit ongevraagd geweest. Het enige wat we van hen hebben, is ons druilerig weer.

 

 

Dames en heren,

 

Wij Vlamingen kunnen met recht en rede zeggen dat we weten wat internationalisering is, we hebben het namelijk aan den lijve ondervonden. Op het gebied van internationalisering zijn we ervaringsdeskundigen.

 

Deze vorm van internationalisering was passief, het was er één van dominantie en ‘kop-in-kas ’ .

 

Maar vandaag de dag is internationalisering natuurlijk zoveel meer. Fysiek leven we misschien nog wel onder onze kerktoren, waar het goed vertoeven is, maar steeds meer is de wereld ons dorp, en wordt de ‘global village ’ die CNN ons biedt, onze echte biotoo p. ‘The World is Flat ’ , zegt Thomas Friedman in zijn bestseller. En in deze internationaliseringsgolf van de afgelopen 50 jaar, is technologie één van de belangrijkste katalysatoren.

 

We leven immers niet langer in een biotoop, maar wel in een technotoop. We leven in een zeer ver-technologiseerde wereld.

 

De pervasiviteit, de alomtegenwoordigheid van wetenschap en technologie in ons dagelijks leven, is één van de belangrijkste kenmerken ervan.

 

Technologie zit in onze voeding, ons milieu, in onze gezondheidszorg, in de communicatie, de mobiliteit, en jammer genoeg ook in oorlog en vrede.

 

Het was de econoom Joseph Schumpeter die als eerste wees op het belang van kennis en innovatie, van wetenschap en technologie, in het economisch bestel. Schumpeter was trouwens een grote fan van de jezuïet Leonard Lessius, naar wie uw instelling met recht en rede is genoemd. Vanaf 1942 tot aan zijn dood in 1950 werkte hij gestaag aan zijn ‘History of Economic Analysis’, een lijvig boek dat de vrucht van zijn jarenlange onderwijs vormde en dat postuum in 1954 zou verschijnen.

 

In deze geschiedenis, die uitgroeide tot een echt standaardwerk, kreeg Lessius een korte maar positieve bespreking en werd hij erkend als een belangrijk economisch denker van de vroegmoderne tijd. Dit stuitte op veel tegenstand omdat toentertijd de meeste economisten van oordeel waren dat hun vakgebied was uitgevonden door Adam Smith, de Adam Smith van de ‘onzichtbare hand ’ , waarin vooral het eigenbelang als drijfveer van ons economisch handelen werd vooropgest eld.

 

Maar Lessius was een denker die niet alleen zijn tijd – maar ook die van Adam Smith – ver vooruit was, door zijn grote kennis van en zijn warm-menselijk begrip voor de wereld, de materiële wereld, de wereld van het geld, de handelswinst, de rijkdom, kortom de wereld waarin gewone mensen leven. Diezelfde wereld die door de middeleeuwse theologen met zeer veel achterdocht en wantrouwen werd bekeken. Voor hen impliceerde handel drijven bijna automatisch fraude en uitbuiting. Streng veroordeelden zij elke vorm van intrest, die zij steevast betitelden als woeker. Wie geld leende, mocht niet méér terugvragen dan het uitgeleende kapitaal, zo luidde het onverbiddelijke standpunt van de Kerk.

 

Natuurlijk was dit standpunt paralyserend voor het handelsleven. Het werd hoe langer hoe meer onhoudbaar. En hoewel het al door de theologen van de ‘School van Salamanca ’ in de zestiende eeuw was afgezwakt, ging Lessius een heel eind verder: zijn leer kwam hier op neer, dat het intrestverbod volledig werd opgegeven, een st andpunt dat regelrecht indruiste tegen de eeuwenoude kerkelijke doctrine. Geld in de hand, zo redeneerde Lessius, is immers meer waardevol dan geld in de toekomst. En wie daarom nu liquide middelen ontbeert omdat hij het uitleent, heeft daarom recht op een compensatie die we intrest noemen.

 

Lessius, die als theoloog, humanist en hellenist, alom gewaardeerd was, stierf in Leuven op 15 januari 1623, waar hij nu begraven ligt in de Jezuïetenkerk. Hijzelf was een toonbeeld van internationalisering, studeerde aan gerenommeerde buitenlandse universiteiten, werd tot tweemaal toe op missie gestuurd naar Rome, waar men hem probeerde te houden, wat niet gelukt is. Want hij keerde terug naar zijn Alma Mater.

 

Aldaar was hij in 1568 zijn opleiding klassieke filologie en filosofie gestart aan het Arras College van de K.U.Leuven, waar vandaag de dag – Whonder een is geen Whonder – ons International Office is gehuisvest.

 

Wat zou Lessius vandaag de dag denken over de uitwassen van het economisch systeem, de beloftes van intresten die gebakken lucht blijken te zijn, de woekerwinsten en bonussen van vandaag, de in lucht verpakte CDO ’ s en subprimes, de ondoorzichtige markt van futures en call opties, de discussies over kapitaalvlucht en Tobin-taksen?

 

Wat zou Lessius vinden van de cascade van gebeurtenissen, waarbij een probleem op de hypotheekmarkten in Amerika, tot een globale mondiale crisis zou leiden, waarbij in Europa banken overkop gaan, of opgesplitst werden in een Nederlandse en Franse vleugel, en zelfs een solide Bank Van Hier in serieuze problemen komt.

 

 

Dames en heren,

 

Zoals gezegd is vandaag de dag de technologie één van de belangrijkste katalysatoren van internationalisering.

 

Van de meeste van deze technologieën was vijftig jaar geleden geen sprake. Deze ongelooflijke impact van wetenschap en technologie manifesteert zich op alle vlakken van menselijke intercommunicatie, ethiek, verantwoordelijkheid, realiteit, democratie, gemeenschap, politiek, cultuur, kunst, criminaliteit en legaliteit.

 

De informatie- en communicatietechnologieën zijn hierin wellicht de belangrijkste ‘drivers ’ . In de jaren zestig van de vorige eeuw formuleerde Gordon Moore, de oprichter van Intel, zijn beroemde wet: elke 18 maanden verdubbelt het aantal transistoren per vierkante millimeter siliciu m. De Wet van Moore is niet echt een natuurwet, het is eerder een experimentele observatie die wel al meer dan 40 jaar standhoudt. Daarom ook verdubbelt de rekensnelheid en geheugencapaciteit van onze computers om de 18 maanden. Dat is een fenomenale, exponentiële technologische groei.

 

Mocht ik de Wet van Moore moeten uitleggen aan Lessius, dan zou ik het beeld van een bank gebruiken. Op uw bankrekening zou een groeivoet zoals in de Wet van Moore – een verdubbeling om de 18 maanden – overeenkomen met een interest van 56 %. Indien u dergelijke bank zou kennen, dan raad ik u aan om dat aan tegen niemand te zeggen.

 

Dezelfde ICT-technologieën katalyseren trouwens de globalisering en mondialisering. Onze moderne leefwereld wordt gekenmerkt door een toenemende verwebbing. Denk maar aan de talloze netwerken van elektriciteit, telecommunicatie, internet, GPS, die ons met elkaar verbinden. Deze verbondenheid – waarvan sommige politieke partijen een verkiezingsthema maken – is in de wereld van de technologie al lang een verworvenheid. Ze leidt tot een mondiale uniformisering en standaardisering van technologische protocols, globale trends in mode, film, muziek, en taal in de lingua franca van vandaag, het Engels. Deze verwebbing is even indrukwekkend als de technologische evolutie in de Wet van Moore. Ze wordt er trouwens ook door gekatalyseerd.

 

 

Dames en heren,

 

Dat het internet een fantastisch instrument is, moet ik u wellicht niet vertellen. Maar toch, ik wil er eventjes bij stilstaan door u een kleine quizvraag te stellen, niet direct over het internet, maar wel over het internet avant la lettre, namelijk de telefonie.

 

Hoeveel telefoontjes moet u doen om een boodschap bij de paus van Rome te krijgen? Denkt u even rustig na.

 

In mijn geval zijn dat er drie. Ik doceer namelijk aan een katholieke universiteit. Als vicerector van de universiteit kan ik de rector bereiken met één telefoon. Ik denk niet dat de rector rechtstreeks naar de paus kan bellen, maar hij kan dat wel naar de kardinaal, de groot-kanselier van onze universiteit. En we mogen toch veronderstellen dat die rechtstreeks kan confereren met de paus. M.a.w., mijn pausgetal is drie. Drie telefoontjes zijn nodig om mijn boodschap onrechtstreeks bij de paus af te leveren.

 

Maar straks, tijdens de receptie, kan u mij aanspreken i.v.m. de paus, en daarom is uw pausgetal vier. Slechts eentje meer dan dat van mij. Want wanneer wij straks op de receptie beter met mekaar kennis hebben gemaakt, kan u mij opbellen, en vandaar in het netwerk van de paus geraken. Ik heb pausgetal drie, en daarom heeft u allen pausgetal maximum vier.

 

 

Dames en heren,

 

Het wereldwijde web heeft dezelfde eigenschap. Gemiddeld hebt u niet meer dan 6 klikken nodig met de muis om een willekeurige website op het internet te kunnen bereiken. Zelfs vanuit Antwerpen. 6 keer klikken, en om het even welke informatie rolt zich in extenso uit voor uw ogen. Is dat niet fenomenaal? ‘It’s a small world after all’, en zo wordt deze eigenschap van dit soort netwerken, the small world phenomenon, trouwens ook genoemd.

 

Het internet is daardoor een belangrijke katalysator in de globalisering van de wereld. De wereld is ons dorp geworden. Maar er zijn natuurlijk ook andere katalysatoren van die globalisering. Denk maar aan de media, de ‘global village ’ van CNN, het feit dat we misschien binnenkort allemaal de Mexicaanse griep hebben omdat er op elk moment honderden miljoenen mensen reizen naar business- en vakantiebestemmingen, of de globale klimaatsveranderingen waarvan de al dan niet vermeende gevolgen nog wat onduidelijk zijn.

 

 

Geachte vergadering,

 

In deze ongelofelijke tsunami van internationalisering die ons overspoelt, spelen universiteiten en instellingen van hoger onderwijs een ongemeen belangrijke rol.

 

Universiteiten zijn in wezen internationaal, door hun geschiedenis en historische tradities, en door hun kennisnetwerk met wereldwijde communicatie in tijdschriften, boeken, verenigingen en repositoria allerhande. De benchmarking zelf van de universiteiten is internationaal geworden. De kwaliteit wordt afgetoetst door peer review, en dit zowel op het gebied van onderwijs, onderzoek als maatschappelijke dienstverlening.

 

Tussen 1300 en 1500 groeide het aantal universiteiten van 15 tot meer dan 70. Zowel in de 14de als in de 15de eeuw werden door pausen niet minder dan 23 stichtingsbullen verleend. Niet alleen iedere soeverein, maar ook iedere regionale vorst of ieder belangrijk stadsbestuur wilde een eigen universiteit hebben.

 

Laten we eerlijk zijn: is er vandaag de dag eigenlijk zo veel veranderd? Nihil novi sub sole!

 

In een gelijkaardige aspiratie werd mijn Alma Mater gesticht in 1425, op verzoek van zowel Hertog Jan IV van Brabant als de stadsmagistraat en het Sint-Pieterskapittel van Leuven. De toestemming was gevraagd aan de paus door in de daaraan voorafgaande jaren herhaalde malen een delegatie naar Rome te sturen. Internationalisering was toen een non-issue, gewoon omdat het voor de hand lag. De Leuvense universiteit wierf bij haart start twaalf professoren aan die in Keulen, Parijs, Bologna, Heidelberg, Padua en Erfurt hadden gedoctoreerd.

 

Vermeldenswaard is dat vier oud-Lovanienses in de 15de eeuw rector van de Universiteit van Parijs werden.

 

In de eerste eeuw van haar bestaan, telde de Leuvense universiteit gemiddeld 6 % studenten uit vreemde landen. Soms denken wij dat het vandaag allemaal beter is, maar enige historische bescheidenheid is toch op zijn plaats. Het aantal buitenlandse studenten in Leuven is vandaag ongeveer 10 %, wat dus niet zoveel meer is dan 600 jaar geleden.

 

En doorheen de eeuwen heeft het aandeel buitenlandse studenten altijd geschommeld tussen 7 tot 11 %, niettegenstaande taalwisselingen, van Latijn tot de 19de eeuw, naar Frans tot Nederlands in de tweede helft van de twintigste eeuw.

 

Omdat op het einde van de vijftiende eeuw elk Europees land over ten minste één universiteit beschikte, werd de geografische spreiding van de herkomst van de studenten meer regionaal en soms zelfs lokaal.

 

Neem nu de universiteit van Leiden, gesticht in 1575 als oudste van de Noordelijke Nederlanden. In de eerste twee eeuwen van haar bestaan telde zij evenveel studenten uit het buitenland – vooral uit Duitsland – als uit de eigen streken. Er was trouwens geen taalprobleem, omdat de lingua franca van het hoger onderwijs toen vanzelfsprekend het Latijn was. Ook de verdeling in de professoren was 50/50.

 

Maar dan zien we geleidelijk aan een daling van het aantal buitenlandse professoren tot een aandeel van 25 % na 1750, hoewel het ook dient gezegd te worden dat de meeste Hollandse professoren, dus een grote fractie van de andere 75 %, hun opleiding ook hadden genoten aan een of meerdere buitenlandse universiteiten.

 

Met enige verbeelding zouden we het kunnen hebben over een eerste democratiseringsgolf van het hoger onderwijs in Europa. Paradoxaal genoeg leidde ze tot een daling van de mobiliteit tussen universiteitssteden in Europa.

 

Dit zou ons moeten leren dat democratisering altijd gepaard gaat met imminente gevaren, in dit geval het gevaar van navelstaarderij en van een verstokte kerktorenmentaliteit, een gevaar waartegen ook het hoger onderwijs in Vlaanderen zal moeten vechten.

 

In de tweede helft van de 18de eeuw evolueerden de universiteiten meer in de richting van nationale opleidingsplaatsen om te voorzien in de directe personeelsbehoeften van elke eigen natie.

 

Het is trouwens ook de tijd van de natievorming in de landen zoals we die de dag van vandaag kennen. Zo bijvoorbeeld wordt op het Congres van Wenen in 1815 de quasi definitieve kaart van Europa vastgelegd.

 

Omdat Napoleon op het einde van de 18de eeuw de universiteit van Leuven had gesloten, moest die in 1817, vlak na het Congres van Wenen, terug worden opgestart, waarbij verschillende professoren uit het buitenland gerekruteerd werden: 6 uit Duitsland, 2 uit Frankrijk en 1 uit Noord-Nederland. In de 19de eeuw waren er in Leuven gemiddeld gezien op elk moment 10 % buitenlandse professoren.

 

Maar ook als gevolg van het Congres van Wenen, werden universiteiten in Europa een belangrijke ingrediënt in de natievorming en de identiteit van een land. Vanaf de 19de eeuw trouwens wordt ook het Latijn vervangen door de nationale talen, en plotsklaps worden daardoor universiteiten minder aantrekkelijk voor buitenlandse studenten en professoren. Dit proces van ‘internalisering ’ , in tegenstelling tot ‘internationalisering ’ , gaat eigenlijk in essentie voort tot de jaren vijftig van de vorige eeu w, in tegenstelling tot de evolutie van universiteiten in de Verenigde Staten, die sinds het begin van de 20ste eeuw interculturaliteit beginnen te cultiveren, waarbij het Engels als unieke taal natuurlijk een belangrijke katalysator is.

 

Na de Tweede Wereldoorlog komen de eerste stappen in de Europese eenwording, die zich voor de universiteiten uit in eerste voorzichtige stappen naar een meer internationale oriëntatie, vooreerst in het onderzoek. Tegelijkertijd ontstaat in Europa ook het regionale denken, waarbij het uitgangspunt is dat niet zozeer landen, dan wel regio ’ s het juiste bestuursniveau zijn. We krijgen dus twee, op het eerste gezicht, tegenstrijdige trends, namelijk deze van internationalisering enerzijds, en toenemende regionalisering anderzijds, en precies in die tweespalt zit het Vlaamse hoger onderwijs ook gevangen vandaag de dag.

De toenemende internationalisering van het hoger onderwijs is manifest in haar drievoudige missie van onderzoek, onderwijs en dienstverlening. Het onderzoek was eerst aan de beurt.

 

De professoren waar ik les van heb gehad, zoals Roger Van Overstraeten, Andre Oosterlinck, Jef Roos, Theo Peeters en Marc Eyskens, vertelden in hun lessen over hun pioniersjaren in Amerika, waar sommigen toen nog met de boot naartoe trokken. Velen van hen werden hierin financieel ondersteund met een beurs van de Belgian American Educational Foundation, opgericht na de Eerste Wereldoorlog, als onderdeel van het Belgian Relief Plan geredigeerd door de latere president Herbert Hoover. Wie vandaag op bezoek gaat in het gerenommeerde Hoover Instituut van de Stanford Universiteit, kan daar nog altijd de tentoonstelling van dankbetuigingen zien, die door een verhongerde maar dankbare Belgische bevolking werden gericht aan de Amerikaanse bevrijder na de Eerste Wereldoorlog.

 

Zelfs toen ik mijn postdoc-periode van twee jaar doorbracht in Stanford, was dat nog een zeldzaamheid voor een Vlaming. Ik herinner mij een uitzending over ‘Brain Drain ’ in een wetenschapsprogramma op de toenmalige BRT-TV. Daarin kwam een Vlaming aan het woord – ik zal geen namen noemen – die vertelde, hoe hij zijn doctoraat gemaakt had aan de wereldvermaarde Massachussets Institute of Technology. Hij wou toen solliciteren voor een hoogleraarschap aan de K.U.Leuven, waarbij hij werd ontvangen door een professor – ik zal hier ook geen namen noemen – die zelf duidelijk nooit in het buitenland was geweest. Die professor las zorgvuldig het curriculum van de kandidaat, begon ineens meewarig met zijn hoofd te schudden bij het lezen van de letters ‘M.I.T ’ , en sprak toen de legendarische woorden van onbegrip: ‘MIT, MIT, maar beste jongen, waar hebt gij gezeten!’

 

Dit maar om te zeggen dat we op 25 jaar tijd in Vlaanderen, wat betreft onze onderzoekscultuur, en meer bepaald de internationaliseringsdimensie daarvan, ook een enorme evolutie hebben doorgemaakt. Niet alleen hebben we de Brain Drain van de jaren ‘80 en ‘90 gestopt, we hebben hem ook omgekeerd. Dit kwam vooral omdat de Vlaamse regering in de tweede helft van de jaren ‘90 grote extra budgetten voor wetenschap en innovatie heeft vrijgemaakt. We noemden het ‘de inhaalbeweging voor wetenschap en technologie ’ , waarin de budgetten voor het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek zijn verdubbeld, het Vlaams Instituut voor Biotechnologie is op gericht, het IWT gevoelig meer slagkracht kreeg, met nieuwe initiatieven zoals het Strategisch Basis Onderzoek en het Tetra fonds, Technopolis en uiteindelijk nog zoveel meer.

 

Door deze massieve financiële injectie in het onderzoeksapparaat werd het tij gekeerd. Een nodige, maar niet noodzakelijke voldoende voorwaarde voor internationalisering is immers excellentie. In een wereld waar kennis, naast arbeid en kapitaal een essentiële ingrediënt is, en waar diezelfde kennis ook bijzonder volatiel is, is de enige dimensie waarop we ons kunnen onderscheiden van anderen, de inherente kwaliteit van wat we te bieden hebben.

 

De Brain Drain van de jaren ‘80 is gestopt en met recente initiatieven zoals Odysseus zijn we zelfs toe aan Reverse Brain Drain, waarbij we zeer competente Vlamingen, de ‘young potentials ’ die in het buitenland vertoeven, terug halen naar Vlaanderen.

 

Waar we nog niet echt aan toe zijn is de ‘Brain Gain ’ , waarbij we echt en professioneel niet-Vlamingen rekruteren om hier toponderzoek te verrichten. Weliswaar zijn er al eerste successtories, maar in de Brain Gain ligt zeker nog een enorm perspectief voor mee r en beter.

 

En dat is geen gemakkelijke opgave. Kwaliteit en excellentie gaan niet alleen over budgetten, maar ook over infrastructuur, over omkadering, over regelgeving, over gastvrijheid en levenskwaliteit, over flexibiliteit en taal en cultuur.

 

Maar dat het onderzoek aan onze kennisinstellingen vandaag de dag zonder meer internationaal is, staat als een paal boven water. Maar één voorbeeld ter staving: geschat wordt dat ongeveer de helft van alle wetenschappelijke publicaties die het daglicht zien in Vlaanderen – en dat zijn er tienduizenden per jaar – minstens één en meestal zelfs meerdere coauteurs hebben uit het buitenland.

 

 

Dames en heren,

 

Ook in onze onderwijsdimensie is de internationalisering een feit. De hele bachelor-masterhervorming, die we ongeveer 10 jaar geleden hebben opgestart, is wat dat betreft een ware revolutie.

 

De bachelor-masterhervorming is natuurlijk instrumenteel geweest in de creatie van een grote mobiliteit en interoperabiliteit tussen alle hogescholen en universiteiten in Europa. Deze Europese oefening in compatibiliteit was trouwens één van de grootste drijfveren van de hele operatie, en, we moeten toegeven, de laatste 10 jaar is er enorm hard gewerkt, in sommige landen en gemeenschappen, waaronder Vlaanderen, zeer hard, in andere landen iets minder.

 

Maar deze hele hervorming in het hoger onderwijs is natuurlijk onomkeerbaar en creëert een Europese onderwijsruimte, waarin de mobiliteit van studenten een professionele business heeft gecreëerd.

 

Geschat wordt dat meer dan 30.000 adviseurs wereldwijd betrokken zijn bij internationale studentenmobiliteit. Overdraagbaarheid van studieresultaten tussen Europese onderwijsinstellingen is misschien nog niet verworven, maar ligt in het verschiet. Belangrijk is ook dat dergelijke systemen een directe impact hebben op de financiering van de instellingen van hoger onderwijs. In toenemende mate organiseren we ook systemen van bi-diplomering: het afleveren aan een student van een diploma geratificeerd door twee instellingen, op gevaar af van het ontstaan hier ook van een inflatie.

 

En ook in onze dienstverlening is internationalisering een feit. In Leuven hebben we de leiding genomen in de ontwikkeling van een economisch valorisatiebeleid, waarin we, samen met Cambridge, toonaangevend zijn op het gebied van spin-off-creatie. Op dit ogenblik staat de teller in Leuven op 80 opgerichte bedrijven gedurende de laatste 20 jaar, waarvan er vandaag de dag nog een 70-tal economisch actief zijn, waarbij we op die manier ook rechtstreekse tewerkstelling creëren voor enkele duizenden hoogopgeleide werknemers.

 

Ik denk wel dat we ons nog beter kunnen organiseren op het gebied van maatschappelijke valorisatie van ons onderzoek, vooral naar ontwikkelingssamenwerking toe. In mijn komende periode als vicerector Internationaal Beleid wil ik werk maken van een doorgedreven strategie van ‘research for development ’ , waarbij we win-win-situaties proberen te creëren, zodat het onderzoek dat we doen, rechtstreeks kan worden aangedreven voor noden die voortkomen uit ontwikkelingssamenwerking. Ik speel met het idee massaal in te zetten op stageplaatsen voor bachelors in ontwikkelingslanden. En een ander voorstel waar ik mee speel is dat van ‘Professoren zonder Grenzen ’ , waarin docenten van hogescholen en universiteiten, op b udgetten gedragen door onze instellingen, één of meerdere weken les gaan geven in universiteiten in ontwikkelingslanden.

 

 

Dames en heren,

 

Internationalisering is belangrijk. Het is het verleden. Het is de toekomst. Maar, er is een maar.

 

De hamvraag is: zijn we zelf wel assertief genoeg? Grijpen we wel genoeg de opportuniteiten van de globalisering in plaats van ze te vrezen? Hebben we zelf wel een open kijk op de wereld, waarin de nieuwe, grote economieën van Brazilië, Rusland, India en China steeds dominanter worden. Zijn we wel mercantiel genoeg, met de nodige branie die we misschien van onze noorderburen kunnen leren? Zijn we wel ambitieus genoeg in onze economische aspiraties? Zijn we tevreden met 5 Belgische ondernemingen in de wereldtop 500, daar waar Nederland er twaalf heeft? Blijven onze studenten niet teveel hangen rond de kerktoren, zodat we ver onder het objectief blijven van 20 % studenten die minstens 1 jaar in het buitenland studeren?

 

 

Dames en heren,

 

De klassieke analyse van Marx, dat ons economisch en sociaal bestel draait op arbeid en kapitaal, moet natuurlijk gecorrigeerd worden met een derde, immateriële component, die ook al door Schumpeter werd onderkend, deze van de kennis. Maar kennis is volatiel, en met een druk op de knop sturen we ze naar de andere kant van de wereld. Daarom ook is het paradigma van competitie tussen kennisinstellingen onderling voorbijgestreefd. Het nieuwe paradigma heet ‘open innovatie ’ , wat ongeziene opportuniteiten opent voor kennisinstellingen, universiteite n en hogescholen.

 

In deze mondiale evoluties kunnen wij ons beter positioneren door ons beter te organiseren tot grotere kritische massa ’ s, wat meteen een bijkomende legitimatie geeft voor onze associatievorming. Zo verankeren wij ons in onze regio enerzij ds, maar staan wij anderzijds ook stevig voor de tsunami van internationalisering die ons te wachten staat. Wij moeten blijven werken, niet alleen aan de kwantiteit, maar ook en vooral aan de kwaliteit en excellentie van ons onderwijs, onderzoek en dienstverlening. Want alleen door onze kwaliteit en creativiteit kunnen we ons onderscheiden in een wereld van open innovatie.

 

Beter nog dan nu het geval is, moeten we alert zijn voor snelle veranderingen. Dit vraagt een nog grotere openheid en gerichtheid op wat er in de grote wereld buiten Vlaanderen gebeurt.

 

Het lijkt een beetje op het verhaal van de muis en de olifant, waarbij de muis achterom kijkt en zegt tegen de olifant: ‘Ge moet eens zien, al dat stof dat wij hier in ons zog genereren’.

 

Onze structuren zijn nog te zwaar, onze focus soms te klein, onze ambities te licht, onze werking niet flexibel genoeg om adequaat om te gaan met nieuwe types studenten, die misschien hoofddoeken dragen of een tulband, of om snel en pertinent te reageren op steeds nieuwe vragen van een veeleisende samenleving, de mondiale problemen van oorlog en vrede, van voeding en gezondheid, van milieu en duurzaamheid, van migratie en integratie.

 

DIMersity zou ons handelsmerk moeten worden, DIMersity als de natuurlijke integratie van Diversiteit, Internationalisering en Mobiliteit.

 

 

Geachte genodigden,

 

De mens op de golven van tijd en ruimte, doorheen de millennia en over de continenten: een golfbeweging van verkennen, ontdekken, mekaar terug verliezen maar ook mekaar terugvinden voor een betere wereld. Dat is waarom we moeten internationaliseren.

 

Ik dank u voor uw aandacht.

 

-